Meest indrukwekkende speech ooit van koning Willem-Alexander

Stiller dan ooit
Door: Jos La Grande
04-05-2020

Op een lege Dam in Amsterdam heeft koning Willem-Alexander de meest indrukwekkende speech uit zijn 7-jarig koningsschap gehouden.

Tekst gaat verder onder advertentie
   

,,Medemensen, medeburgers in nood, voelden zich in de steek gelaten, onvoldoende gehoord, onvoldoende gesteund, al was het maar met woorden. Ook vanuit Londen, ook door mijn overgrootmoeder, toch standvastig en fel in haar verzet. Het is iets dat me niet loslaat.”

Dit was de meest cruciale passage in de speech van de Koning, die hij hield bij hoge uitzondering tijdens de Nationale Dodenherdenking vanwege de bijzondere omstandigheden in verband met de coronacrisis. De Koning keek terug op de Tweede Wereldoorlog en stelde zich als nieuwe representant van de Oranjes kwetsbaar op.

Directe toehoorders waren zijn vrouw Máxima, premier Rutte, burgemeester van Amsterdam Femke Halsema, Gerdi Verbeet, voorzitter van het 4/5 mei comité en een lid van de hofhouding.

Vrijheid

Koning Willem-Alexander ging in op het lot van de oorlogsslachtoffers, maar vertaalde het ook naar het nu. ,,Wij hebben ook een deel van onze vrijheid moeten opgeven”, aldus de vorst, die met volle overtuiging zijn speech uitsprak.

Het was overduidelijk dat de Koning op dit cruciale moment in de geschiedenis van ons land om middenin de hoofdstad en tijdens een live-uitzending van de Dodenherdenking een bewuste keuze had gemaakt om de 17 miljoen Nederlanders toe te spreken.

Opeens stond hij daar, achter het spreekgestoelte. Fier en standvastig. De kille oostenwind zorgde voor een verward kapsel. Het was zelfs wat kil deze avond op de Dam.

Gemeend

Maar elk woord van de speech was gemeend. De vorst sprak zijn woorden uit met kracht. En met inlevingsvermogen, terwijl hij af en toe over de verlaten Dam tuurde, waar alleen de duiven op hun vaste plek mochten bivakkeren.

De pracht en praal, het decorum van de Oranjes, vielen op dit moment helemaal weg. Dat telde niet meer. Willem-Alexander wilde zijn boodschap kwijt als ondersteuning van de nabestaanden van de oorlogsslachtoffers, maar ook als een teken van hoop in deze onzekere tijden.

Een half uur daarvoor had ook al Nederlandse beste schrijver Arnon Grunberg een even indrukwekkende toespraak gehouden in De Nieuwe Kerk.

Geschiedenis

De Koning besefte dat dit (even na acht uur) zijn moment was in de korte geschiedenis van zijn koningsschap. Nu moest hij er staan, dit was het moment om richting te geven, om ook de moderne monarchie zoals hij die voorstaat inhoud te geven. Zoals ook zijn moeder, grootmoeder en zijn overgrootmoeder Wilhelmina er ooit stonden op cruciale momenten in de Nederlandse geschiedenis.

Het werd een ijzersterk optreden van de vorst onder deze zeer bijzondere omstandigheden. Zonder dat iemand het opmerkte, mompelde premier Rutte toen de Koning terugkeerde naar zijn plek voor het Nationaal Monument zoiets van ‘goed gedaan’. Het kon inderdaad niet beter.

De toespraak van de Koning:

,,Het voelt vreemd op een bijna lege Dam. Maar ik weet dat U, dat jij, deze Nationale Herdenking meebeleeft en dat we hier samen staan.

In deze uitzonderlijke maanden hebben wij allemaal een deel van onze vrijheid op moeten geven.

Sinds de oorlog heeft ons land iets dergelijks niet gekend.

Nu maken we zelf een keuze. In het belang van leven en gezondheid. Toen wérd de keuze voor ons gemaakt. Door een bezetter met een ideologie zonder genade die vele miljoenen mensen de dood in joeg.

Hoe voelde de ultieme onvrijheid? Er is één getuigenis die ik nooit zal vergeten.

Het was hier in Amsterdam, in de Westerkerk, bijna zes jaar geleden. Een kleine man met heldere ogen – fier rechtop met zijn 93 jaar – vertelde ons het verhaal van zijn reis naar Sobibor, in juni 1943.

Zijn naam was Jules Schelvis.

Daar stond hij, breekbaar maar ongebroken, in een volle, muisstille kerk. Hij sprak over het vervoer met 62 mensen in één veewagon. Over de ton op de kale vloer. Over de regen die door de kieren spatte. Over de honger, de uitputting, de smerigheid. „Je ging er uitzien als een schooier”, zei hij. En je hoorde in zijn stem hoe erg hij dat had gevonden.

Hij vertelde over de horloges die bij aankomst door soldaten van polsen werden gerukt. Over hoe hij zijn vrouw Rachel in de chaos kwijtraakte. Nooit zag hij haar terug.

„Welk normaal mens had dit kunnen bedenken? Hoe kon de wereld toestaan dat wij, rechtschapen burgers van Nederland, als uitschot werden behandeld?” Zijn vraag bleef hangen tussen de pilaren van de kerk. Ik heb er geen antwoord op. Nog steeds niet.

Wat ik me ook herinner, is zijn verslag van wat er aan de reis voorafging. Na een razzia werd hij samen met zijn vrouw en vele honderden anderen weggevoerd naar station Muiderpoort. Ik hoor nog zijn woorden: „Honderden omstanders hebben zonder vorm van protest toegekeken hoe de overvolle trams, onder strenge bewaking, voorbij reden.”

Dwars door deze stad. Dwars door dit land. Voor de ogen van landgenoten.

Het leek zo geleidelijk te gaan. Elke keer een stapje verder. Niet meer naar het zwembad mogen.

Niet meer mogen meespelen in een orkest. Niet meer mogen fietsen. Niet meer mogen studeren. Op straat worden gezet. Worden opgepakt en weggevoerd.

Sobibor begon in het Vondelpark. Met een bordje: ’Voor Joden verboden’.

Zeker: er waren veel mensen die zich verzetten. Mannen en vrouwen die in actie kwamen, die tegen de stroom in burgermoed toonden en hun eigen veiligheid op het spel zetten voor anderen.

Ik denk ook aan alle burgers en militairen die vochten voor onze vrijheid. Aan de jonge soldaten die in de meidagen sneuvelden aan de Grebbelinie. De militairen die ons Koninkrijk dienden in Nederlands-Indië en dat met de dood bekochten. De verzetsstrijders die werden gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte of onmenselijk werden behandeld in straf- en concentratiekampen. De militairen die niet terugkeerden van vredesmissies of daarbij ernstig gewond raakten.

Werkelijke helden die bereid waren te sterven voor onze vrijheid en onze waarden.

Maar er is ook die andere realiteit.

Medemensen, medeburgers in nood, voelden zich in de steek gelaten, onvoldoende gehoord, onvoldoende gesteund, al was het maar met woorden. Ook vanuit Londen, ook door mijn overgrootmoeder, toch standvastig en fel in haar verzet. Het is iets dat me niet loslaat.

Oorlog werkt generaties lang door. Nu, 75 jaar na onze bevrijding, zit de oorlog nog steeds in ons.

Het minste wat we kunnen doen is: niet wegkijken. Niet goedpraten. Niet uitwissen. Niet apart zetten. Niet ’normaal’ maken wat niet normaal is.

En: onze vrije, democratische rechtsstaat koesteren en verdedigen. Want alleen die biedt bescherming tegen willekeur en waanzin.

Jules Schelvis doorstond de hel en wist toch als vrij mens weer iets van het leven te maken. Veel meer dan dat. „Ik heb vertrouwen in de mensheid gehouden”, zei hij.

Als hij het kon, kunnen wij het ook. Wij kunnen het, wij doen het samen. In vrijheid.”

Meer DenD